Het woord duikt soms nog op in historische romans of als iemand op een feestje indruk wil maken met zijn vocabulaire, maar in het dagelijks Nederlands is “lichtekooi” zo goed als verdwenen. Dat is jammer, want weinig woorden zijn etymologisch zo vermakelijk als deze zeventiende-eeuwse benaming voor een prostituee. Over de precieze herkomst zijn taalkundigen het na vierhonderd jaar nog steeds niet eens — en dat is eigenlijk het leukste eraan.

Twee theorieën, allebei goed

De eerste verklaring klinkt netjes en logisch. “Kooi” is in de scheepvaart het woord voor bed — dat gebruiken we nog steeds. “Licht” betekende in het zeventiende-eeuwse Nederlands niet “niet zwaar” maar “gemakkelijk”, zoals in “dat zullen we niet licht vergeten.” Een lichtekooi is dan simpelweg een vrouw die gemakkelijk in bed te krijgen is. Gezien het feit dat prostitutie vooral floreerde in havensteden, past de scheepvaartconnectie als een handschoen.

De tweede verklaring is sappiger. In die lezing is “kooi” een verbastering van het Franse “cul” — vulgair voor achterwerk. En “licht” is geen bijvoeglijk naamwoord maar een werkwoord: lichten, opheffen. Een lichtekooi is dan letterlijk een vrouw die haar achterste optilt. De zeventiende eeuw kende trouwens ook het woord “schuddemakooi” — een variant die weinig aan de verbeelding overlaat. Taalkundigen die deze verklaring aanhangen wijzen op vergelijkbare samenstellingen als “draaiaars” en “wippegat”, die hetzelfde patroon volgen: werkwoord plus lichaamsdeel.

Wat waarschijnlijk is gebeurd, is dat beide betekenissen door elkaar zijn gaan lopen. Het woord “licht” heeft zoveel betekenissen — niet zwaar, gemakkelijk, veil, onzedig — dat er in de volksmond al snel verwarring ontstond. En die verwarring maakte het woord alleen maar bruikbaarder.

Van Constantijn Huygens tot Jean-Paul Sartre

De vroegste sporen van het woord gaan terug tot 1474, wanneer een zekere Jacob Gerytz de bijnaam “Lichtekoey” draagt. In de zestiende eeuw verschijnt het in teksten als aanduiding voor naaisters en spinsters — beroepen die destijds geassocieerd werden met vrouwen van lichte zeden. Dichters als P.C. Hooft en Jacob Cats gebruikten het woord, en Constantijn Huygens schreef over prins Maurits die “te kooi was gekropen” — al ging het daar over sterven, niet over seks.

Eeuwen later leende het woord zich prachtig voor literaire vertalingen. Sartres toneelstuk La Putain respectueuse uit 1946 werd in het Nederlands De eerbiedige lichtekooi, een titel die precies de juiste toon van beleefde vulgariteit raakt. En de Ierse historische roman Slammerkin van Emma Donoghue, over een achttiende-eeuwse prostituee, verscheen in het Nederlands simpelweg als Lichtekooi.

Waarom het verdween

Lichtekooi is niet uit de taal verdwenen omdat het een slecht woord was — het verdween omdat de wereld eromheen veranderde. We praten anders over sekswerk dan in de zeventiende eeuw, we gebruiken andere eufemismen, en de havencultuur waaruit het woord waarschijnlijk stamt bestaat niet meer in dezelfde vorm. Het woord voelt nu archaïsch, als iets uit een Bredero-toneelstuk of een oudhollankse woordenlijst.

Maar het is te mooi om helemaal te vergeten. Een woord dat vier eeuwen oud is, waarvan de herkomst nog steeds onduidelijk is, dat verwijst naar scheepsbedden óf naar Franse achterwerken afhankelijk van welke taalkundige je gelooft, en dat een synoniem had dat “schuddemakooi” luidde — dat verdient een plekje in het collectieve geheugen, al is het maar als curiositeit.

© 2026 by groei.media kvk: 30256107