Van alle historische Nederlandse woorden voor vrouwen van lichte zeden is snorrepijp misschien wel de vreemdste. Niet vanwege de klank, hoewel die ook bijzonder is, maar vanwege de weg die het woord heeft afgelegd. Het begon als de naam voor een kinderspeeltuig, een prulletje dat een snorrend geluid maakte. Het eindigde als achttiende-eeuwse schuttingtaal voor een prostituee. Die sprong is groter dan je zou denken, en tegelijkertijd logischer dan hij lijkt.
Van speelgoed naar scheldwoord
Een snorrepijp was oorspronkelijk een stukje speelgoed, een simpel ding, een pijpje dat snorde als je erblaas of het ronddraaide. Het soort voorwerp dat je op een kermis won en dat na een uurtje al kapot was. Het woord “snorrepijperij” betekende dan ook lang gewoon: prulspul, beuzelarij, iets van geen waarde. Van Dale noteerde het in 1898 nog in die betekenis.
De verschuiving naar ‘prostituee’ volgde de logica die taal vaak volgt: iets van weinig waarde wordt een aanduiding voor iemand die als weinig waardevol wordt gezien. Een “venus maertje, by de hollanders gezeyt snorpuype”, schreef Vervisch in 1791, een Venusvrouwtje, door de Hollanders een snorrepijp genoemd. Het woord was op dat moment al in gebruik als informele, onbeleefde term voor een lichtekooi.
Het past in een patroon
Snorrepijp staat niet op zichzelf. Het Nederlands van de zeventiende en achttiende eeuw had een opvallend rijke vocabulaire voor prostituees, en veel van die woorden volgden hetzelfde principe: neem iets alledaags, iets lichts, iets beweeglijks, en pas het toe op een vrouw die niet aan de zedelijke norm voldeed. Lichtekooi (een gemakkelijk bed, of een bewegend achterwerk), kwikkebil (iemand die met haar billen kwikt), schuddemakooi, draaigat, wippegat; het zijn allemaal woorden die het vrouwelijk lichaam in beweging beschrijven en daar een moreel oordeel aan verbinden.
Snorrepijp wijkt af van dat patroon doordat het niet verwijst naar een lichaamsdeel maar naar een voorwerp. Het scheldwoord zit niet in de anatomie maar in de waardebepaling: een snorrepijp is een prulletje, een snuisterij, iets dat je gebruikt en weggooit. Dat maakt het op een andere manier pijnlijk dan kwikkebil of lichtekooi; het reduceert niet tot een lichaam maar tot een wegwerpobject.
Een woord dat zichzelf heeft overleefd
Snorrepijp wordt niet meer gebruikt, en het speelgoed waar het naar verwijst bestaat al lang niet meer. Het woord hangt nu in de ruimte tussen etymologische woordenboeken en pubquizvragen, te obscuur voor dagelijks gebruik maar te curieus om helemaal te vergeten. Het is een van die woorden die je tegenkomt als je op een regenachtige middag door oude woordenboeken bladert en die je vervolgens aan iemand wilt vertellen, niet omdat het nuttig is, maar omdat het perfect laat zien hoe taal werkt: een snorrend pijpje op een kermis, en drie eeuwen later staat het in een artikel over prostitutie.
