Er zijn woorden die je niet kunt uitspreken zonder te glimlachen. Kwikkebil is er zo een. Het klinkt als een kinderliedje, als iets dat hoort bij een sprookje of een bordspel. Maar de oorspronkelijke betekenis is een stuk minder onschuldig dan de klank doet vermoeden.
Wat betekent kwikkebil?
Een kwikkebil was een vrouw van lichte zeden — een prostituee, in hetzelfde register als lichtekooi en snorrepijp. Het woord is opgebouwd uit “kwikken” (beweeglijk zijn, schudden) en “bil”. De betekenis is dus letterlijk: iemand die met haar billen schudt. Het past in een heel rijtje van oudere Nederlandse woorden die hetzelfde patroon volgen — werkwoord plus lichaamsdeel — en die allemaal op hetzelfde beroep doelen: draaigat, wippegat, schuddemakooi, swaddergatje. De Nederlanders van de zeventiende en achttiende eeuw waren opvallend creatief in het bedenken van woorden voor prostituees, en ze hadden een duidelijke voorkeur voor termen die het bewegende achterwerk centraal stelden.
Twee betekenissen die naast elkaar leefden
Maar kwikkebil had niet alleen een seksuele lading. In het Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal van Van Dale uit 1898 wordt het woord omschreven als “een vrouw of meisje die niet veel van zitten houdt — een uitloopster.” Dat is een stuk onschuldiger: een ongedurig type, iemand die altijd in beweging is, een spring-in-’t-veld.
Het is waarschijnlijk dat beide betekenissen naast elkaar bestonden en naar context werden begrepen. In een havenbuurt was een kwikkebil iets anders dan op het platteland. En dat is precies hoe veel van dit soort woorden werkten: dezelfde klank, een andere lading, afhankelijk van wie het zei en waar.
Waarom het te mooi is om te vergeten
Kwikkebil is verdwenen uit het dagelijks Nederlands, net als lichtekooi, snorrepijp en al die andere kleurrijke benamingen voor vrouwen die niet aan de zedelijke norm voldeden. De woorden zijn archaïsch geworden, de wereld eromheen is veranderd, en niemand heeft ze meer nodig.
Maar als stukje taalgeschiedenis is kwikkebil te goed om te laten liggen. Het laat zien hoe beeldend het Nederlands ooit was — een taal waarin je aan de klank van een woord kon horen wat het betekende, waarin “kwikken” en “bil” samen precies het juiste beeld opriepen, en waarin dezelfde term zowel een plaagstoot als een veroordeling kon zijn. Probeer dat maar eens in het hedendaagse Nederlands.
