Als het Nederlands een woord heeft dat klinkt als wat het beschrijft, dan is het rinkelrooier. Het woord rinkelt letterlijk. Het ratelt en rolt over je tong als een tamboerijn op straat. En dat is precies waar het vandaan komt.

Wat betekent rinkelrooier?

Een rinkelrooier was een losbol, een zwierbol, iemand die van kroeg tot kroeg trok en zich overgaf aan luidruchtig vermaak. Van Dale noteerde het in 1898 bondig als “lichtmis”. Het was een scheldwoord, maar een dat ook een zekere bewondering kon bevatten: een rinkelrooier was tenminste geen saaie ziel.

Het woord komt van het werkwoord “rinkelrooien”, en daar wordt het interessant. In de zestiende eeuw, bij de taalkundige Kiliaen, betekende rinkelrooien: met een rinkelbom of tamboerijn door de straten lopen en herrie maken. Een rinkelbom was een primitief slaginstrument, een houten frame met belletjes of rinkelplaatjes dat je schudde terwijl je liep. Rinkelrooien was dus in eerste instantie een activiteit: lawaaiig door de stad trekken met muziek.

Van daaruit verschoof de betekenis, zoals dat gaat met woorden die een bepaalde sfeer oproepen. Rinkelen werd lawaai maken, lawaai maken werd feesten, feesten werd zwieren, en zwieren werd van kroeg tot kroeg gaan en je niet gedragen. De rinkelrooier hield zijn tamboerijn, maar die tamboerijn was metaforisch geworden.

De schrijvers die het woord levend hielden

Potgieter schreef over “de benden rinkelrooijers, die dan langs uwe grachten zwerven”. Betje Wolff noemde “alle rinkelroojers en nachtloopers” in haar roman over Cornelia Wildschut uit de jaren 1790. H.J. Schimmel gaf het woord zijn volledig venijn in Sinjeur Semeyns: “Een rinkelrooier, een wilde ruwe gast was je van den beginne, een schimp voor je familie, een gemeen man.”

En in de Leidse studentenliedjes van 1905, gebundeld onder de titel Rotte Blaren, klinkt het als een drinklied: “Hoerah! Gij rinkelrooiers, leeft lustig blijde bent, geen een toch onder tafel? Neen, alle nog present!” Daar is de rinkelrooier geen scheldwoord meer maar een eretitel: de man die het langst overeind blijft.

Een woord dat je kunt horen zonder het te kennen

Wat rinkelrooier onderscheidt van al die andere vergeten woorden is dat het zichzelf uitlegt. Je hoeft niet te weten dat er een rinkelbom bestond om te voelen wat het woord doet. Het rinkelen zit in de klank, het rondzwerven zit in het ritme. Het is een van die zeldzame woorden waarbij vorm en inhoud zo perfect samenvallen dat het jammer is dat niemand het meer gebruikt.

Want wat zeg je nu als je iemand wilt beschrijven die te veel drinkt, te laat thuiskomt en er geen moment spijt van heeft? Losbol is te tam. Pierewaaier is te lang. Feestbeest is te positief. Rinkelrooier is precies goed: drie lettergrepen, een beetje afkeurend, een beetje jaloers, en je hoort de tamboerijn al als je het uitspreekt.

© 2026 by groei.media kvk: 30256107